Homepage van Angélique Leunissen

Nationaal Park De Groote Peel

Onderwerpen

Terug in de tijd lees verder ...

Turfsteken in de Peel lees verder ...

Begrazing lees verder ...

Beheersplan WATER EN VUUR lees verder ...

Ganzen in de Peel lees verder ...

Mijn gastenboek GAstenboek

Inleiding

Een korte introductie over de Peel vindt u al op de pagina Natuur. Hier gaan we echter nog veel dieper in op de Peel en haar bijzondere kenmerken. Ook zullen hier nog veel meer foto's te zien zijn die ik zelf in het Nationaal Park heb gemaakt.

De Groote Peel heb ik voor het eerst bezocht aan het begin van de jaren 80. Toen kampeerden we op het terrein van de Nederlandse Caravan Club in Geysteren. Later, na de opening van het terrein in Blerick, was ik nog veel vaker in het gebied te vinden.

Tegenwoordig woon ik in de buurt van dit Nationaal Park en ben ik er veel vaker even te vinden om rust te zoeken of om te genieten van de flora en fauna in het gebied.

Waar komt de naam De Peel vandaan? Waarschijnlijk ontleent dit gebied zijn naam aan de Romeinse naam Locus paludosus, wat "moerassige streek" betekent.

Eeuwsele loop

Sinds 1 juli 1993 is De Groote Peel een Nationaal Park. Hoewel het dus het grootste stuk hoogveen in Nederland is, is het het kleinste Nationaal Park in Nederland met een oppervlakte van 1340 ha. Het park wordt beheerd door Staatsbosbeheer en wordt jaarlijks door zo'n 150.000 wandelaars bezocht.

Terug in de tijd

Krachten in de aardbodem hebben er al miljoenen jaren geleden voor gezorgd dat er breuken kwamen in het aardoppervlak. Een van de belangrijkste breuken is de Peelrandbreuk welke over Roermond via Meyel, Neerkant, Liessel, Deurne, Rips en Mill naar Oss loopt. Het ontoegankelijke veenmoeras strekte zich uit van Weert tot Grave.

Turfmonument
Foto april 2007; monument voor de Peel.

Voordat de ijstijden kwamen had de Peelhorst al een vrijwel ondoordringbare leemlaag vlak aan de oppervlakte waardoor het regenwater maar moeizaam weg kon zakken. Het gevolg hiervan was dat het regenwater wegstroomde over de oppervlakte naar lager gelegen delen van het landschap. Zo ontstonden er beekjes en beekdalen.

Er was geen begroeiïng in het gebied waardoor de wind vrij spel kreeg in de ijstijden. Dit had weer tot gevolg dat er zandstormen kwamen welke de beekjes en de beekdalen deden dichtslibben. Daarna ontstonden er plassen. Deze plassen stonden echter in het begin droog door het droge klimaat dat toen hier heerste.

Zo'n 10.000 jaar geleden kwam er verandering in het dat droge klimaat. Er kwam een einde aan de laatste ijstijd. Het werd warmer en vochtiger en zodoende kwamen de plassen vol water te staan. De komst van de eerste peelvennen. De vorming van het eerste dikke pak hoogveen zo zo'n 6000 jaar in beslag nemen.

In de lage gebieden waar zich plassen vormden gingen moerasplanten groeien zoals riet en biezen. Deze planten kregen niet de kans te verteren in het zuurstofarme water. Hierdoor hoopten de lagen afgestorven planten zich op en vormde zich de eerste laag veen. Het zogenaamde laagveen.

Op het moment dat het laagveen het waterpeil bereikte kon er veenmos op gaan groeien. Dit is het begin van het hoogveen. Het kleine plantje veenmos heeft een grootse uitwerking op het vormen van het veen. Het plantje heeft geen wortels maar neemt via het blad het regenwater tot zich. Het vormt dikke tapijten die wel tot 40 keer hun eigen gewicht aan water kunnen opnemen.

Het veenmos sterft aan de onderkant af en vormt zo veen en het groeit aan de bovenkant gestaag door. De laag veen groeide door tot een steeds dikkere laag die zich steeds verder aan de zijkanten uitbreidde. Hele bossen verdwenen in het veen. Dode bomen vielen om tussen het veenmos en werden er volledig mee overwoekerd. Het veen groeide slechts met 1 mm per jaar.

Het veen groeide maar door en door. Door onregelmatige reliëf van de ondergrond raakte steeds meer land bedekt met de natte deken van het veenmos. Doordat het veenmos omhoog groeit en de afwatering in het centrum van het veengebied anders was als aan de randen, begon ook het veen een bolvormig uiterlijk te krijgen. Daarom worden de Nederlandse venen ook wel koepel- of lensvenen genoemd.

Van beneden naar boven zijn de volgende lagen herkenbaar in het veen:

  • de meerbodem
  • riet-, bies- en zeggenveen
  • bosveen of broekveen
  • zwartveen (oud veenmos)
  • witveen (jong veenmosveen of grauwveen)
  • levende vegetatie aan veenplanten

De onderste veenlagen zijn nog redelijk voedselrijk en de afzonderlijke plantenresten zijn er nog vaak in te herkennen. Het zwartveen dankt zijn naam aan de donkere kleur. Het heeft een vast structuur en is als brandstof bruikbaarder dan het hoger gelegen witveen. Dat witveen is veel losser van structuur en veel minder donker. Dit veen wordt ook vaak in turfstrooisel verwerkt.

Bij de afgraving van het veen werd het witveen meestal als onbruikbaar bonkveen, ookwel bolster of bonkaarde genoemd, terzijde gezet om zo bij het waardevolle zwartveen te kunnen komen. Hierdoor is het dus uiterst zeldzaam nog ongestoorde profielen tegen te komen met witveen of grauwveen. Slechts op enkele plaatsen in de Peel kome deze nog volledige veenprofielen voor; bijvoorbeeld in de Mariapeel, Liesselse Peel en Ospelse Peel. In Helenaveen ligt grauwveen direct op het zand. Dit komt echter zeer zelden voor.

Nog een merkwaardig feit is dat er tussen het zwartveen en het witveen een duidelijke grenslaag waarneembaar is. Deze laag is ongeveer 2000 jaar oud en bestaat uit andere plantensoorten, vooral wollegras, dat ook wel "lok" wordt genoemd. Het bestaan van deze "loklaag" duidt erop dat er ten tijde van het begin van onze jaarwisseling een tijdelijke klimaatsverandering moet zijn geweest met drogere omstandigheden.

Er ontstond een nauwelijks begaanbaar gebied. Het is dan ook geen toeval dat hier de grens tussen de provincies Limburg en Brabant loopt. Indertijd werden deze provincies gescheiden door en grootst moerasgebied van zo'n 30.000 ha. Het was niet meer dan natuurlijk om deze natuurlijke scheidslein uiteindelijk ook te volgen bij de indeling van de landschappelijke gebieden. De veenlaag had toen op de meeste plaatsen een dikte bereikt van zo'n 5 tot 6 meter.

Mariapeel
Foto mrt 2007; de Mariapeel bij Helenaveen

Al in de oude steentijd, het Palaeolithicum, woonden er mensen in de Peel. Deze samenleving wordt ook wel aangeduid als de Tjongercultuur. Niet in het veen natuurlijk, maar in de zandruggen er om heen. Het veen had zich toen nog maar weinig ontwikkeld. De bewoners uit de steentijd leefden vooral van de jacht en de visserij. Dat is gebleken uit de vondst van schrabbers, stekers, spitsen en voorwerpen van bot en hout.

De vorming van het veen maakte het de mensen echter steeds moeilijker om zich in het gebied te handhaven. Tot in de jonge steentijd, het Neolithicum, bleef het gebied bewoond, maar langzaam maar zeker liep het gebied leeg. Dit kwam omdat het veen zich steeds verder en verder uitbreidde. Er werd aan vormen van landbouw, veeteeld en pottenbakkerij gedaan.

In de Brons en IJzertijd werd het gebied onbewoonbaar. Er zijn dan ook nauwelijks vondsten gedaan uit die tijdperken. Rondom de Peel woonden echter wel veel mensen.

Het eerste gebruik van het veen als brandstof vond waarschijnlijk al plaats in de 13de en 14de eeuw. In de daarop volgende eeuwen werden er duidelijke regels gesteld voor het gebruik van de woeste grond voor de turfwinning. Er werden maten vastgesteld van uitgegeven peelveldjes, evenals de maten van de nieuwe veenput, de plaats waar de turf moest drogen teneinde anderen geen overlast te bezorgen, de wijze van afwatering, en ga zo maar door. Dit is gebleken uit de peelboeken die verschillende gemeenten bijhielden.

In de gemeentelijke peelboeken werd niet alleen genoteerd wie er gerechtigd was, maar ook werden aantekeningen gemaakt van overtredingen en het in gebreke blijven van personen. Uit deze boeken is gebleken dat er al heel lang en intensief turf is gestoken in de Peel.

Daarnaast werd er vele eeuwen lang klot gestoken. Dit gebeurde over het algemeen in zogenaamde "eendagskuilen" die net zo groot en diep waren dat 1 man deze in 1 dag kon steken. De daarop volgende dag stond zo'n put helemaal vol water. In de Peel vindt men nog steeds moerputten, boerenturfpotten of klotkuilen.

De gebruikte methodes om het veen te steken waren nog al verschillend. De alleroudste putten waren rond omdat zo de wanden het best bestand waren tegen de zijwaardse druk van het met water verzadigde veen. Later werden de kuilen meer rechthoekig of vierkantig. De boerenturfpotten werden vaak in grote, onregelmatige tot bijna wiskundige bepaalde stelsels uitgegraven. Her en der zijn daar nog fraaie restanten van te zien. Echter de meeste putten en complexen zijn verloren gegaan als gevolg van de grootschalige industriële winning van turf die in de Peel heeft plaats gevonden. Meer over de turfwinning leest u op de pagina Natuur.

Intussen is het meeste veen afgegraven en het groeit niet meer vanzelf aan. Toch is in De Groote Peel nog op hele kleine schaal te zien hoe het veen zich vormt in de kleine veenputten. Deze veenputten zijn vaak overdekt met een veenmoslaag waarop dan weer allerlei andere planten groeien. Stap daar niet per ongeluk op, want je kunt verdrinken.

Ten tijde van de Romeinen en het Romeinse Rijk veranderde er weer veel. Als gevolg van de Romeinse overheersing ontstond er in de periode voor de jaartelling in de Peel een volk dat de Taxandriërs wordt genoemd. De samenstelling van dit volk bestond uit de oude locale plaatselijke bevolking vermengd met verstrooide of binnengedrongen Germanen. Bewijzen dat de Romeinen in deze streek aanwezig zijn geweest zijn gevonden op 17 juni 1910 toen een turfgraver, Gabriël (Gebbel) Smolenaars uit Meijel nabij Helenaveen in 't Zinkske een Romeinse verguld zilveren paradehelm vond.

Rond het gehele Peelgebied zijn op vele plaatsen sporen van Romeinse aanwezigheid gevonden. Vaak gebeurde dit in de vorm van landmetingen van militairen die er zich hadden gevestigd en de landbouw bedreven. In de Peel was het redelijk rustig tot aan de Merovingische invallen in de 3de eeuw en het ineenstorten van het Romeinse Rijk.

Nog altijd is de aardbodem in beweging. Daardoor is ook de aardbeving van 1992 ontstaan. Die liep ook over dit breukvlak.

Van het oorspronkelijke veengebied is nauwelijks meer wat over. Toch zijn er her en der nog stukjes bewaard gebleven en deze worden dan ook gekoesterd door de natuurbeschermingsorganisaties. De Groote Peel is ca 1500 ha aaneengesloten natuurgebied. Rust en weidse vergezichten herinneren aan het vroegere veen. Het gebied bestaat uit water, moeras, heide en kleine stukjes bos.

Solitaire boom in de Peel
Foto maart 2007; solitaire berkeboom in de Mariapeel. Het bos op de achtergrond zal in de loop van het jaar voor een groot deel gekapt gaan worden.

Omdat het hoogveen voedselarm is groeien er maar weinig planten. Toch zijn daaronder wel hele bijzondere soorten te vinden. Een voorbeeld is het vleesetende zonnedauw dat het karige menu uit de grond aanvult met insecten die het vangt met zijn kleverige bladeren.

Nadat grote delen van het veen ontgonnen waren en geschikt gemaakt voor land en tuinbouw dreigde het waardevolle natuurgebied volledig verloren te gaan. Gelukkig kwamen er al snel initiatieven om het landschap te bewaren voor het nageslacht.

Intussen is de Groote Peel een Nationaal Park en een internationaal erkend "wetland". Het is heel belangrijk voor watervogels. Er broeden een kleine honderd vogelsoorten en talloze trekvogels strijken er neer voor een kortere of langere stop in het voor- of najaar. Het gebied werd in 1993 uitgeroepen tot nationaal park.

Begrazing in de Peel

Om het gebied goed open te houden is het belangrijk dat het begraasd wordt. Met het begrazen van natuurgebieden is door Staatsbosbeheer in het begin van de jaren 70 van de vorige eeuw al begonnen. In de Groote Peel maakt begrazing een vast onderdeel uit van de beheerswerkzaamheden. Hiermee is in 1983 begonnen.

Paarden in De Groote Peel
Foto april 2007; een toevalstreffer. De paarden lopen aan de rand van het gebied en zijn soms erg dichtbij.

Het hoogveengebied in de Peel was oorspronkelijk vrijwel geheel boomloos. De Peel was indertijd zeer nat en daardoor voor een heel groot deel ongeschikt voor boomgroei. Daarnaast was natuurlijk ook de mens van invloed. Bomen belanden in deze arme streek al snel in de kachel. De hogeren en drogere delen van het veengebied werden in het verleden gehoed met schapen. Dit gebeurde niet uit beheersoogpunt maar als bron van inkomsten. De begraasde gebieden waren vaak de heideterreinen. Ter bevordering van de groei van jonge hei werden deze plaatsen ook regelmatig afgebrand. Door het begrazen en branden kregen bomen ook geen kans.

Tegenwoordig zult u merken dat de Groote Peel niet meer arm aan bomen is. De verdroging van het landschap heeft er voor gezorgd dat er bomen kunnen groeien. Ook de voedselverrijking van de bodem heeft de groei van de bomen bevorderd. Voedingsstoffen komen in de bodem door de regen, men noemt dit wel vermesting. Als men de natuur zijn gang zou laten gaan dan zou als gevolg van de verdroging en de vermesting de Peel over 10 tot 15 jaar een groot bos zijn.

Het beheer van het Nationaal Park heeft echter voor een andere aanpak gekozen. Men wil het landschappelijk karakter van de Peel behouden en het open karakter ervan behouden. Dit omdat het zeldzame hoogveen nog veel waardevoller is als een mooi bos. Het hoogveen herbergt een zeldzame verzameling aan dieren en planten en om deze te behouden zal moeten voorkomen worden dat de Peel een bos wordt.

Door het gebied te begrazen met onder andere runderen en paarden worden de jonge boompjes voor een groot deel opgegeten. Het volgende positieve effect van begrazing is de verschraling van de bodem. Door het wegvreten van de begroeiing worden er voedingsstoffen aan de bodem onttrokken en worder de bodem voedselarmer. Voor de groei van heide en andere bijzondere planten is dit van groot belang.

In 1983 begon met begrazing van De Groote Peel met IJslandse paarden. Het jaar daarop ging met ook met schapen de heide begrazen. De begrazing met schapen had zijn hoogtepunt in de jaren 1991 tot en met 1993. In deze periode liepen er in De Groote Peel wel zo'n 2000 schapen. Vooral na de grote brand in 1991 werd de begrazing flink uitgebreid. Dat was nodig om de groei van het pijpestrootje in de voedselrijke aslaag zoveel mogelijk tegen te gaan. Tussen 1987 en 1992 werden er ook schapen geweid door een schaapsherder.

In 1994 bleek tijdens een evaluatie dat de begrazing met schapen geïntensiveerd moest worden. Ook zouden op bepaalde plaatsen begrazing met koeien tot betere resultaten leiden. Vanaf dit moment werd de begrazing met schapen afgebouwd zodat er in 1998 nog slechts zo'n 400 schapen in het gebied grazen. Het aantal Limousin-koeien groeide naar in totaal zo'n 65 stuks. Sinds het begin van de jaren 90 worden de graslanden rondom De Groote Peel begraasd met paarden. In zomer grazen er zo'n 40 paarden in de Peel. Deze informatie over de begrazing heeft betrekking op het oorspronkelijke natuurgebied.

Echter sinds de jaren 80 worden landbouwgronden die tegen de Peel aanliggen aangkocht ten dienste van het natuurbeheer. Zodra deze gronden in eigendom zijn gekomen van Staatsbosbeheer worden de gebieden begraasd met natuurbegrazing. Er lopen zo'n 100 koeien en zo'n 15 paarden.

De IJslandse paarden op de zandrug lopen er het gehele jaar door. Voor de andere dieren geldt dat ze slechts in het seizoen worden ingezet van mei tot oktober. Al het vee dat in de Groote Peel loopt is eigendom van particulieren wat de samenwerking bevorderd tussen de boeren uit de omgeving en Staatsbosbeheer en de gemeente Asten.

Kaartje De Groote Peel

Op de zandrug werd in 1983 begonnen met de natuurlijke begrazing. Vanaf 1986 is dit gebied uitgebreid door de tegen de zandrug aanliggende weiden erbij te betrekken. Op het kaartje is dit gebied A. Het is ca 135 ha groot. In de wintertijd lopen hier zo'n 8 IJslandse paarden. In de zomertijd wordt dit uitgebreid tot zo'n 13 dieren en worden er ook nog eens zo'n 15 koeien bijgezet. Dit is nodig omdat in de zomer het aanbod van voedsel veel groter is als in de winter.

De bedoeling is dat door de begrazing een half-open landschap in stand gehouden kan worden afgewisseld met wat bosjes, struwelen, graslanden en heideterreinen. Hier is het dus niet de bedoeling dat de bosgroei geminimaliseerd wordt. Wel wil men bereiken dat het bos niet volledig dicht groeit. Door de begrazing worden de omliggende graslanden verschraald.

De veenheidegebieden zijn ook weer onderverdeeld, op het kaartje zijn dit de gebieden B tot en met F en O, samen zo'n 310 ha. De gebieden B,C en D worden begraasd met Limousin-koeien. In gebied E worden schapen ingezet, in gebied F paarden. De overige delen, O, worden eenmaal in de twee of drie jaar begraasd met schapen. Tot 1998 en resp 1995 werden de gebieden B en D begraasd met schapen. In alle gebieden waar nu met koeien begraasd wordt, liggen delen van het gebied die zijn geplagd. Hierbij is de voedselrijke bovenlaag verwijderd. Dit is nodig om de vegetatie te ontwikkelen waarin hei een flink deel voor zijn rekening kan nemen.

De reden dat men hier is gestopt met de begrazing met schapen is dat men ontdekte dat de schapen ook de jonge heiplantjes op aten. Hierdoor kwam de ontwikkeling van het heidegebied nauwelijks van de grond. Door de gebieden met koeien te gaan begrazen is dit probleem opgelosd. Koeien kunnen door hun wijze van grazen namelijk niet bij de jonge heideplantjes komen. In alle veenheidegebieden is het de bedoeling om de bosontwikkeling te minimaliseren en de groei van het pijpestrootje te beperken. Dit zodat andere planten zich kunnen ontwikkelen in het gebied.

Voormalig landbouwgebied
Foto april 2007; voormalig landbouwgebied grenzend aan het Nationaal Park.

De gestippelde gebieden op de kaart zijn de voormalige landbouwgebieden die zijn aangekocht ter bevordering van het natuurbeheer. Het doel is een overgangszone te creëren die tussen het natuurgebied en het landbouwgebied ligt. Deze gebieden hebben door hun voormalige agrarische activiteiten een landschapperlijk open karakter. Het doel van het beheer is deze gebieden op deze wijze in stand te houden, maar met een grotere natuurwaarde.

Op deze gebieden vindt seizoensbegrazing met voornamelijk koeien plaats. De terreinen aan de zuid-westzijde zijn een belangrijke broedplaats voor de grutto. Dit gebied wordt de Mussenbaan genoemd. Het beheer is erop gericht het gebied aantrekkelijk te houden voor deze en andere weidevogels. Dit houdt in dat de begrazing met vee pas plaats vindt na 1 juli als alle nesten zijn verlaten door de weidevogels. Ook wordt hiermee voorkomen dat het gras te vroeg te kort wordt zodat het geen bescherming meer zou bieden aan de weidevogels.

Op de andere gebieden komt het vee al eerder omdat het daar tot doel heeft deze landen te verschralen en te voorkomen dat er zich bomen in de weiden gaan ontwikkelen.

U kunt door een deel van deze gebieden wandelen over de paden en zo is het mogelijk dat u een ontmoeting heeft met de dieren. De koeien en schapen zullen gauw voor u wijken, maar paarden kunnen ook op u afkomen. De paarden in het gebied zijn niet aggressief, maar ze kunnen wel opdringerig zijn. Hiervoor wordt ook door de boswachter gewaarschuwd. Het is dus in uw eigen belang de dieren niet te voeren en altijd om ze heen te wandelen zonder de groep te verstoren.

Beheers- en inrichtingsplan "WATER EN VUUR"

Onder de titel "Water en Vuur" is in 2002 een Beheers- en Inrichtingsplan voor De Groote Peel opgesteld. De titel verwijst naar het water en het vuur. Water is hierbij letterlijk bedoeld omdat er zonder water geen veen is. Het vuur is meer figuurlijk bedoeld en duidt op enthousiasme voor het werken met en in de natuur. Het symbool voor dit plan wordt gevormd door een atleet die met vuur over het water loopt. Vuur maakte men natuurlijk ook met de uit de Peel gestoken turf.

In dit plan staat de omgeving centraal. Er zijn in de omgeving van De Groote Peel grote veranderingen gaande. Hierbij wordt soms grote inspanning gevraagd van alle partijen. Vooral de landbouw moet zich sterk aanpassen aan de nieuwe omstandigheden. Toch biedt het plan ook voor deze landbouw nieuwe kansen en mogelijkheden. Aan de andere kant zal er alles aan gedaan worden het agrarisch natuurbeheer te stimuleren en publiek te trekken en deze hierover te informeren. Dit natuurlijk in samenhang met de ondernemers in het gebied.

Nationaal Park De Groote Peel is één van de twintig Nationale Parken die ons land kent. Overigens zijn niet alle parken in eigendom van de Nederlandse staat. Maar de overheid helpt natuurlijk wel met bijvoorbeeld extra geld en aandacht voor:

Er is een overlegorgaan dat er voor zorgt dat deze middelen goed worden besteed. Ook draagt dat zorg voor het afstemmen van het beheer en beleid van het Nationaal Park. De afspraken voor beleid en beheer worden vastgelegd in het Beheers- en Inrichtingsplan.

Het gaat goed met het Nationaal Park De Groote Peel want in het hoogveen zijn de natuurlijke hoogveen vormende veenmossen teruggekomen. De mossen groeien alleen als het altijd nat is en als er bijna geen voedingsstoffen beschikbaar zijn. Ze vormen grote sponskussen waarin de waterstand altijd hoger is als in de omgeving.

De terugkomst van de veenmossen is een resultaat van de herstelmaatregelen die Staatsbosbeheer in het gebied heeft uitgevoerd. Ook het uitblijven van ernstige droogte heeft een positief effect gehad. Naar alle waarschijnlijkheid heeft ook de vermindering van de luchtverontreiniging een grote rol gespeeld. Er is nu goede hoop op blijvend herstel van de waterhuishouding in de omgeving als het beheersplan verder wordt uitgevoerd.

Omdat de natuur nog vaak bestaat uit kleine eilandjes binnen het grote geheel van door bestemmingsplannen ingericht terrein, moet er geïnvesteerd worden in verbindingen tussen deze eilandjes. Dit is van groot belang voor het voortbestaan van vele soorten.

Er wordt een hoop werk verzet met ecologische veranderingen. Zo wordt er gewerkt aan verbindingen naar bijvoorbeeld de andere grote Peelvenen als de Deurnese Peel en de Mariapeel. Ook zijn er plannen voor een reconstructie van de Astense Aa waarbij deze weer natuurlijk gemaakt moet worden. Daarnaast zijn er plannen voor de Eeuwselse Loop ten noord-westen van De Groote Peel.

Eeuwselse Loop
Foto april 2007; De Eeuwselse Loop is veranderd ten behoeve van het Nationaal Park.

Verder wordt er ook gewerkt aan goede verbindingen met de kleine Peelrestanten als het Groote Moost, en het Sarsven-De Banen, en naar de Weerter en Budelerbergen. Het maken van deze verbindingen is niet altijd even gemakkelijk. Soms kan er gebruik gemaakt worden van kleine stukjes natuur, maar soms moeten ook hele stukken landbouwgebied worden doorsneden.

De afspraak is gemaakt dat er gestreefd moet worden naar herstel van van de grondwaterstand in de gehele omgeving. Dit is al vastgelegd in beleidsstukken, maar er is extra aandacht nodig voor de volgende onderwerpen:

  • Ganzen en weidevogels gebruiken van oudsher de gebieden rondom De Groote Peel. Hoewel het met de ganzen goed gaat, gaat het met de weidevogels nog steeds niet goed. Erger nog, het gaat steeds slechter. De boeren kunnen wel subsidie krijgen voor het later maaien op deze gronden, maar ze zijn meestal te droog. Het vasthouden van water zou niet alleen de weidevogels ten goede komen, maar ook de gehele waterhuishouding van De Groote Peel, het voorkomen van hoogwater in de Aa en voor de verdroging van de landbouwgronden. Zo krijgt men een mes dat niet aan twee, maar aan vier kanten tegelijk snijdt. Financiële middelen die hierdoor worden uitgespaard moeten weer aan de boeren ten goede komen. Zo wordt het voor hen ook aantrekkelijker om de productie wat aan te passen.
  • Intussen wordt er gewerkt aan een Wateraanvoerplan door de Waterschappen en de Landinrichting Peelvenen. Dit plan houdt dan in dat ten tijde van (extreme) droogte water uit de Maas naar de omgeving van De Groote Peel gevoerd wordt. Zo moet een nat compres ontstaan rondom het natuurgebied. Het zal ook verdroging van landbouwgewassen voorkomen en de waterstand in het veen blijft op peil. Uiteindelijk zal het veen weer zo'n goede spons moeten zijn dat het toevoeren van water niet meer nodig is.
  • De Eeuwselse Loop door het Nationaal Park zal moeten worden omgelegd of gedempt. Nu is het een obstakel voor dieren en voor het beheer. Tevens zuigt hij water uit het veengebied van De Groote Peel.
  • De drinkwaterbedrijven hebben samen afgesproken dat tot een "nul-schadeniveau" voor De Groote Peel gekomen moet worden. Dit moet nog verder worden uitgewerkt.
  • Op dit moment wordt binen De Groote Peel al het overtollige water via de grote sloten afgevoerd. Dit voedselarme en zure water kan in plaats daarvan ook weer benut worden om de overgangszone langs het veen te herstellen zoals dat in de natuurlijke situatie ook het geval was. Het water moet dan in de vroegere landbouwgronden doorsijpelen. Op deze manier zal ook de toevoer van Maaswater naar de omgeving minder noodzakelijk worden. Op dit moment zijn er echter nog een paar boeren actief in het aangewezen gebied. De herinrichting kan pas plaatsvinden als ook deze landbouwgronden zijn verworven voor het beheer.

Bijna nergens in Nederland is de ruimte zo intens te ervaren als in De Groote Peel. Het is een groot open gebied met als enige marker van buiten de kerktoren van het Peeldorp Meijel. Dit dient zo gehandhaafd te worden. Op die manier wordt het oude landschap van de Peel het best bewaard. Alleen langs de randen, langs de grote vogelplassen en in het wandelroutegebied blijven stukjes bos als achtergrond in het landschap staan.

Zandrug Struingebied
Foto april 2007; ruimte en nog eens ruimte. Waar je ook kijkt, je kijkt kilometers van je af.

Natuurlijk zijn er ook plannen voor de recreatie in De Groote Peel en de omgeving. Vanuit het Nationaal Park moet deze ontwikkeling worden gestimuleerd. Zo moet gericht zijn op het beleven van de natuur, het landschap en de cultuurhistorie. Voorbeelden daarvan zijn:

  • Ontwikkeling van kleinschalige verblijfsrecreatie en dagattracties in de omgeving, zoals kamperen-bij-de-boer, het openluchtmuseum Eunderhoof, de ijsboerderij, en dergelijke.
  • Aanleg van nieuwe routes, zoals een brug of pontje over de Noordervaart, welke wellicht te combineren valt met een ecologische verbinding.
  • Het organiseren van recreatieve arrangementen waarin het Nationaal Park een rol speelt.
  • De recreatieve ontwikkeling van de Peel-Raam-stelling onder meer langs de Vossenberg

Omdat beleving van de natuur en haar enorme weidsheid tijd kost is het Nationaal Park De Groote Peel alleen te voet te bezoeken. Natuurlijk met een uitzondering voor gehandicapten. Even erin en dan eruit levert geen meerwaarde of beleving op. De Groote Peel is één van de weinige gebieden in Nederland waar de leegte nog kunt ervaren.

Veel mensen verkennen de streek op de fiets. Bij het bezoekerscentrum Mijl op Zeven is voor hen de poort naar de wereld van toen. Fietsers worden er hartelijk ontvangen en kunnen van daaruit gemakkelijk te voet het Nationaal Park verkennen. Al dan niet onder leiding van een ervaren gids.

Door de toename van het aantal bezoekers is er een langere wandelroute aangelegd in het Mussenbaangebied. De grote zandrug langs de zuidoostrand van De Groote Peel is opengesteld als "struingebied". Hier kunt u op eigen wijze de natuur in u opnemen en genieten van vele bijzonderheden.

Toegangsbord

Voor het Nationaal Park is het bezoekerscentrum het visitekaartje van hoge kwaliteit. Het nieuwe bezoekerscentrum is geheel vernieuwd en biedt vele mogelijkheden. Het functioneert ook als opvang en vraagbaak voor de andere Peelvenen. Er is pick-nick mogelijkheid, maar u kunt er ook genieten van een klein hapje of een drankje. Wellicht dat ik later nog eens een uitgebreide beschrijving ga geven van dit bijzondere bezoekerscentrum.

Bezoekerscentrum Mijl op Zeven

De ultieme beleving van de Peel is op zijn mooist 's morgens vroeg, bij mistig weer over modderige peelbanen, of op een lange zwerftocht onder de een lichtbewolkte hemel waar de zon zo nu en dan doorheen kijkt. Zelf vind ik ook het vallen van de avond, vooral in het voorjaar een prachtige tijd om door de Peel te rijden.

Ganzen in de Peel

Ganzen vormen in de wintertijd een opvallende verschijning in De Groote Peel en de wijde omgeving. Hoewel de ganzen van af een afstandje in de lucht of tijdens het fourageren een homogene groep lijken, is dat beslist niet zo. Met mijn verrekijker heb ik zo al verschillende soorten kunnen ontdekken in het gebied. Naar aanleiding van een prospectus over de ganzen in het gebied zal ik u er hier ook wat meer over vertellen.

Ganzen

De Rietgans

Een grote bruine gans met oranje poten en een zwart-gele snavel. Met een goede verrekijker of telescoop kunnen de rietgansen herkend worden aan hun "veel geel en weinig zwart" en "weinig geel en veel zwart " op de snavel. De verhouding tussen het zwart en geel op de snavel is het belangrijkste kenmerk om twee soorten te onderscheiden. Ganzen met veel geel op de snavel zijn de Taiga-rietganzen welke ook relatief gezien groot zijn. Ganzen met veel zwart op de snavel zijn de Toendra-rietganzen welke relatief gezien klein zijn. Het verschil ik echter niet altijd even duidelijk te zien. Er komen ook veel variaties in voor.

Kolgans

Dit is ook een relatief kleine gans met roze poten en een roze snavel. Het meest opvallend is de witte kol boven de snavel en de donderbruine dwarsstrepen op de borst. Deze kenmerken zijn echter alleen te zien bij volwassen vogels. Bij de jongen ontbreken deze kenmerken. Wel hebben de jongen de roze poten en snavels.

Grauwe Gans

Dit is de grootste gans in het gebied. Deze soort is het gehele jaar door te zien in het De Groote Peel. Meestal niet veel te zien in de winter, maar wel in voor- en najaar. De Grauwe Gans is de enige gans in het Nationaal Park die er met enkele tientallen broedt. Grauwe Ganzen hebben oranje poten en snavel en een opvallende grauw-witte voorvleugel.

Brandgans

Dit is een "zwart-witte" gans. Met een geheel witte borst, zwarte hals en rug, witte kop en zwart-wit gestreepte vleugels is hij niet met de eerder beschreven soorten te verwarren. Wel moet men soms goed zoeken omdat de Brandgans maar klein is.

Nederland is het overwinteringsgebied voor ganzen. Ganzen zoeken vanuit de Siberische broedgebieden het warmere zuiden op. Naast een aangenamer klimaat, levert Nederland vooral ook veel voedsel voor de ganzen. De Peelstreek is erg geliefd bij de ganzen. Het rijke voedselaanbod in het agrarisch gebied en de rust en stilte in de natuurgebieden als De Groote Peel om de nacht door te brengen.

Ganzen die in de winter in de Peel verblijven broeden 's zomers in de taiga- en toendrazones van Scandinavië, Noord-Rusland en West-Siberië. Via enkele tussenstops bereiken ze in november Nederland. Een belangrijke tussenstop voor die dieren wordt gemaakt in het merengebied bij Potsdam-Berlijn. Om meer te weten te komen over het trekgedrag zijn honderden Kolganzen voorzien van een zwarte halsband met witte inscriptie. Diverse exemplaren worden iedere winter opnieuw in het Peelgebied waargenomen. Zo kunnen individuen nauwgezet gevolgd worden, mede dankzij de inzet van vrijwilligers die trachten de code af te lezen met goede telescopen.

De ganzen van de Peel hebben een vast dagelijks ritme. Ze slapen in de nacht op de open waterplassen in De Groote Peel en ook wel, maar in mindere mate, in de Deurnese-/Mariapeel. Bij het krieken van de dag vliegen de ganzen in grote getalen de Peel uit om in de omgeving een plekje te vinden voor de dag. De akkers met rijke oogstresten van mais, aardappelen en bieten zijn hierbij het meest in trek. Als dit voedsel in de loop van de winter opraakt zien we de ganzen meer en meer in de weilanden. Ook daar kunnen ze probleemloos hun maaltijd bijeen scharrelen.

Niet overal in de Peel zijn de ganzen even talrijk. Ze hebben duidelijk hun favoriete locaties. De gebieden waar de meeste kans is om een groep ganzen aan te treffen zijn het agrarisch gebied direct ten noordoosten van de weg Asten-Meijel. De omgeving Roerdompweg, Vlosbergweg en Gruttoweg. Ook het Gevlocht tussen de genoemde weg en De Groote Peel is zo'n locatie. Ook in de omgeving van de Weerterbaan die ten westen van De Groote Peel ligt en het gebied rond de in het noordoosten van De Groote Peel gelegen Kokmeeuwenweg verblijven met grote regelmaat ganzen.

Zelf heb ik de ganzen dit voorjaar ook veel gezien in de buurt van de zandrug waar de paarden grazen. Vaak in kleine groepjes van 2 of 3 ganzen. Voor mijn gevoel waren het Grauwe Ganzen, maar dat kan ik niet met zekerheid zeggen omdat ik geen verrekijker bij me had op dat moment.

In De Groote Peel zijn de meeste ganzen aanwezig in de maanden januari en februari. Het gemiddeld aantal ganzen in de Peel schommelt tussen de 15.000 en 18.000 ganzen per jaar. Met een uitschieter naar boven in de winter van 2004/2005 toen er ruim 20.000 ganzen werden geteld in het gebied. In ongeveer 10 jaar tijd is de populatie ganzen verdubbeld. De aantallen van Rietgans en Kolgans zijn de laatste jaren gelijk gebleven. Van de andere soorten worden hooguit enkele vogels gezien. Van de beide soorten Rietganzen is de Taiga-Rietgans het zeldzaamst. Hiervan worden jaarlijks slecht enkele tientallen tot honderden vogels geteld. De aantallen ganzen kunnen van jaar tot jaar sterk wisselen. De laatste decennia hebben zich wel duidelijke veranderingen voltrokken.

Zo'n 40 tot 50 jaar geleden waren er beduidend minder ganzen in de Peel. Toen waren er slechts enkele honderden tot soms een keer zo'n 1000 dieren in de winter aanwezig. De samenstelling van deze groep was ook totaal anders als nu het geval is. Het grootste deel bestond uit Taiga-Rietganzen. Een heel klein deel, vaak slechts enkele tientallen tot hooguit 100 of 200 stuks bestond uit de Toendra-Rietganzen en Kolganzen.

In het midden van de jaren 70 van de vorige eeuw nam het aantal ganzen toe en tegelijkertijd nam het aantal Toendra-Rietganzen groter. Dat proces is nog altijd bezig. Verder komt daar natuurlijk ook de toename van de Kolganzen bij. Deze laatste soort maakt tegenwoordig zo'n 50% van het totaal uit. De laatste jaren verblijft meer dan het tienvoudige aantal ganzen in de Peel. Het aantal Taiga-Rietganzen is echter afgenomen en ze maken nog slechts enkele procenten van het totaal uit. Dit is erg verontrustend nieuws. De Taiga-Rietgans is op wereldniveau zeldzaam en bedreigd. De winter van 1995/1996 vormde echter een uitzondering. Toen verbleven er ruim 600 Taiga-Rietganzen in de Peel. Dat was toen zo'n 10% van het totale aantal ganzen in de Peel.

In de winter worden maandelijks in Nederland ganzen geteld zodat een goed beeld verkregen kan worden over de verspreiding en het belang van de gebieden voor de ganzen. Een norm om het belang van een gebied voor ganzen uit te drukken is de 1% norm. Dit houdt in dat wanneer er (regelmatig) 1% van de Noordwest-Europese populatie op een bepaalde plaats overwinterd, dat gebied van groot belang is.

De Groote Peel is voor de beide soorten Rietganzen een van de belangrijkste gebieden in Nederland. Vrijwel jaarlijks overschrijdt de Rietgans de 1% norm in De Groote Peel. Mede door deze overschrijding van de 1% norm is De Groote Peel de status van Wetland toegekend.

Wandelen door het struingebied op de zandduin

Om u een impressie te geven wat het Nationaal Park u te bieden heeft volgt hier een serie foto's die u een beeld geven van De Groote Peel in het vroege voorjaar. Eind maart, begin april.

Eeuwselse Loop
foto april 2007; De bossen in de verte liggen in het Nationaal Park. De Eeuwselse Loop komt hier uit het natuurgebied en kruist hier de weg van Meijel naar Nederweert.

Toegangsbordje
Foto april 2007; toegangsbordjes langs het Nationaal park die geven toegang tot het struingebied en in bepaalde periodes tot het rust en broedgebied van de watervogels.

Informatiebord
Foto april 2007; Overal treft men dit soort informatie borden aan. Ze geven meer duidelijkheid over de activiteiten in het gebied.

Landbouwgebied
Foto april 2007; Fietsroutes lopen langs het Nationaal park. HIer een stukje landbouwgebied voor het Nationaal Park in de omgeving van Ospeldijk.

Rondom het Nationaal Park lopen de fietsroutes die door knooppunten met elkaar verbonden zijn. Op die manier is het mogelijk het park van diverse kanten te benaderen.

Zandrug Struingebied

Een prachtig stuk ongerepte natuur. Het zandduin. De solitaire bomen leveren vaak spectaculaire plaatjes op.

Struingebied

Struingebied

Struingebied

Een groot deel van het park is niet het gehele jaar toegankelijk. Dit omdat het een beschermd broed- en rust gebied is. Hier is een toegang tot het deel dat hiertoe behoort. Aan het einde van de zomer hoop ik hier nog eens te komen om ook daar een kijkje te kunnen nemen.

Broed en rustgebied

Zandrug Struingebied

Zandrug Struingebied

Zandrug Struingebied

Zandrug Struingebied

Struingebied

Kleine en grote paden doorsnijden het gebied en geven zo voldoende ruimte om het te verkennen en te onderzoeken.

Struingebied

Struingebied

Er zijn vele toegangswegen het park in langs het zandduin.

Struingebied

Struingebied

Struingebied

Zandrug en struingebied

Begrazing met paarden

Ganzen bij de poel

Ganzen

Bij deze poel troffen we enkele ganzen aan. Deze grauwe ganzen waren de laatsten van de wintertrek.

Poel

Natte grond

De hoofdingang tegenover het bezoekerscentrum. Het gebied is toegankelijk voor rolstoelgebruikers en scootmobielen. Maar je moet wel even goed opletten op de weersomstandigheden. De kleine route heet rolstoelvriendelijk te zijn, maar het blijft toch een zware tocht.

Zandrug

Fietsen rondom het gebied is het hele jaar door mogelijk en levert genoeg mooie plaatjes op. Vooral als je ook nog eens een verrekijker bij je hebt is er al veel te ontdekken aan de randen van de grotendeels ontoegankelijke gebieden.

Ruiterpad
Foto april 2007; ook voor ruiters is een deel van het gebied toegankelijk.

Paarden

Paarden

Fietspad

Een prachtig fietspad loopt ten zuiden van het Nationaal Park en geeft vaak zicht op de weiden die door de IJslandse paarden begraasd worden.

Het nieuwe fietspad is een afscheidsgeschenk van Jhr. Ir. W.H.J. de Beaufort, het voormalige regiohoofd van Staatsbosbeheer.

Het meest opvallend was wel tijdens mijn tochten in maart en april naar het Nationaal Park de vele reigers die ik daar heb gezien. Telkens weer trof ik ze aan, soms wel in groepjes van 3 of 4 stuks. De reigers gebruiken het gebied als rustgebied. Ze broeden er (nog) niet. Hopelijk komt daar in de toekomst ook nog verandering in.

Voederplaats

Voor die keren dat de dieren bijgevoerd moeten worden in het Nationaal Park staan er ruiven die gevuld kunnen worden.

Broed en rustgebied

Voormalig bezoekerscentrum

Het voormalige bezoekerscentrum ligt er prachtig bij met zijn kruiden en vlindertuin.

Monument

Op de plaats waar vroeger een snackkar stond is nu een monument verrezen voor slachtoffers van de WOII.

Meerbaansblaak

De Meermansblaak. Gezien vanaf het rolstoelplatform nabij het bezoekerscentrum. De kleine gele wandelroute heet geschikt te zijn voor rolstoelen en scootmobielen. Het vraagt echter toch wel enige inspanning deze route te rijden. Bij erg nat weer is het niet aan te raden.

Meerbaansblaak

Meerbaansblaak

Rolstoelplatform Meerbaansblaak

Ook hier weer de informatieborden die uitleg geven over het gebied.

Informatiebord Meerbaansblaak

Er zijn drie wandelroutes in het gebied uitgezet. Een gele, een rode en een blauwe paaltjes wandeling. Deze wandelingen zijn het gehele jaar door te bewandelen.

Om kinderen en rolstoel gebruikers wat meer ruimte te geven ook van het water leven te genieten of er mee te expirimenteren zijn er verschillende platforms aangelegd.

Vogelhut

Niet ver van het bezoekerscentrum bevindt zich langs het Meermansblaak een vogelhut. Vanuit de hut kunnen door de ramen diverse watervogels gevolgd worden zonder dat de dieren door uw aanwezigheid worden opgeschrikt. De ramen zitten op verschillende hoogtes zodat iedereen kan genieten.

Het zogeheeten rolstoelvriendelijke pad is niet overal even makkelijk begaanbaar.

poel

Op verschillende plaatsen langs het ven kunnen poelen nader bekeken worden. Hier zijn ook platforms aangelegd om de voeten droog te kunnen houden.

Het bezoekerscentrum is een grote informatiebron voor de mensen die het gebied willen bezoeken. Een bezoekje is beslist de moeite waard. Elders zal ik nog meer over het "speciale" gebouw beschrijven.


Een speciaal hoekje waar kinderen kunnen tekenen is er ook.

Prachtig aangelegde natuurlijke tuin zorgt voor een vrolijk en verzorgd uitzien van het gebouw.

Er is volop plaats om te pick-nicken. U kunt dat doen met uw eigen lunchpakket of u lekker laten verwennen door de kleine keuken die het gebouw rijk is. Een combinatie van beiden is natuurlijk ook mogelijk.

Nabij het bezoekerscentrum is ruim parkeergelegenheid. Zowel voor auto's als voor fietsen. Het bezoekerscentrum heeft speciaal voor kinderen ook ontdekkingssetjes waarmee ze het gebied en de flora en fauna kunnen ontdekken.

Bezoek aan het park in augustus 2007

Na de zomervakantie ben ik diverse keren nog door het nationaalpark gereden. Een aantal keren aan het einde van de dag. Dit leverde een aantal bijzondere plaatjes op met een ondergaande zon boven het prachtige landschap. Deze tocht maakte ik vanaf Meijel. Ik volgde een wandelroute "de Vossenberg" en kwam zo aan de rand van het rustgebied.

Rustgebied

Rustgebied

 

Bezoek aan het park in 2008

In dit jaar ben ik niet zo veel in de gelegenheid geweest om naar het nationaal park toe te rijden. Toch heb ik een aantal keren hier wel hele mooie foto's gemaakt. Deze zal ik hieronder plaatsen.

 

| Mail mij | ©2007 Angélique Leunissen laatst bijgewerkt op 24.01.2011 20:21